Intervallen

‘Ah nee! Interval!’
‘Wat?’
‘Interval!’
‘Ja, dus?’
‘Da’s superstom. Wie zet dat nou op het schema?’
‘Uhm. Jijzelf. Het is jouw zelfgemaakte schema.’
‘Ik haat de ik-van-toen.’
‘Hij had het beste met je voor.’
‘Zal best.’
‘Weet je nog dat jaar waarin je zo goed als geen intervaltrainingen deed?’
‘Dat jaar waarin ik niets ben opgeschoten qua snelheid?’
‘Precies. Dat jaar.’
‘Interval dus?’
‘Interval!’

‘Daar gaan we. Zevenhonderd meter inlopen. Wat is inlopen? Is dit inlopen?’
‘Nee! Rustig. Dit is duurlooptempo.’
‘Wat is inlopen dan?’
‘Ja, wel dat, maar dan nét niet. Iets rustiger.’
‘Wat maakt dat nou voor verschil?’
‘Vrijwel geen, maar laten we er een nette intervaltraining van maken. Nog tweehonderd meter. Dan gaan we zestienhonderd meter volle bak. Vier minuten de kilometer. Voelt bijna als sprinten. Is het net niet.’
‘Tot de twee-komma-drie kilometer dus. Ik had dit op mijn hand moeten schrijven of zo.’
‘Nee, gaat prima. Dat is tot het grote bord langs de sloot bij die kas.’
‘Ah ja, da’s waar. Ho, zevenhonderd meter. Knallen nu.’
‘Heerlijk! Tempootje dit hoor!’
‘Ik ga stuk. Zijn we er al?’
‘Nee, nog geen kilometer gehad. Doortrekken nu. Even niet op je horloge kijken.’
‘Ik haat de ik-van-toen!’
‘Paar meter nog. Dan gaan we achthonderd meter rustig draven.’
‘Draven?’
‘Ja, draven. Of dribbelen. Of langzaam hardlopen. Weet ik veel hoe het heet. Het ligt in ieder geval ver onder volle bak gaan en ook nog onder je normale tempo.’
‘Draven dan. Gaat ie. Ah, dit is lekker. Ik krijg weer lucht. Gaan we dat nog een keer doen?’
‘Jup. Nog drie keer. Anders heeft het allemaal zo weinig zin.’
‘Die ik-van-toen zat zeker lekker op de bank toen hij dit bedacht?’
‘Oké. Gaan we weer. Zestienhonderd meter vlammen!’
‘Tot voorbij de tunnel?’
‘Zoiets.’
‘Oké dan. Maar dan is het wel klaar hoor.’
‘Wilde je de bus terug nemen dan?’
‘Ik haat dit.’
‘Niet waar. Je hebt dit nodig. Je wilt jezelf toch verbeteren?’
‘Jawel… Maar dit brandt in mijn benen.’
‘Dan zal het wel effectief zijn, niet?’
‘Laten we het hopen.’
‘En daar zijn we alweer. Dribbelen nu.’
‘Draven.’
‘Draven. Tot het halverwege-punt. Daar keren we en knallen we weer een mijl richting huis.’
‘Dat draven is wel lekker. Beetje joggen is het. Ja, we noemen het joggen.’
‘Wat jij wilt.’
‘Ik wil het joggen noemen.’
‘Prima. Maar klaar met joggen nu. Sessie drie!’
‘Was dat het alweer? Het ging zo lekker.’
‘Jaja, tempo nu!’
‘Tot zeven-komma-één dus.’
‘Zie je. Kan prima uit het koppie. Houdt je ook nog eens scherp op de vroege ochtend.’
‘Zeven-komma-één. Dat is bij het bruggetje. Daarna nog maar één, hè?’
‘Daarna nog maar één.’
‘Gaat best wel lekker eigenlijk. Die ik-van-toen had misschien toch wel goeie ideeën.’
‘Hij had het beste met je voor.’
‘Kwestie van even inkomen, denk ik.’
‘Dat zal het zijn. Afremmen maar weer. We zijn er. Joggen tot de zeven-komma-negen.’
‘Lekker. Nog eentje.’
‘Tot het eind van het fietspad.’
‘Yes. Mag ik alweer?’
‘Rustig. Nog honderd meter. Geef alles zo. Daarna is het uitlopen tot thuis.’
‘Yes!’
‘En gaan! Knallen!’
‘Woohooo!!!’
‘Dit is tempo hoor!’
‘Dit is heerlijk!’
‘…’
‘…’
‘Eeeeeen remmen maar. We zijn er.’
‘Ah. Zonde. Intervallen is fantastisch!’
‘Zei ik toch? Volgende week weer?’
‘Volgende week weer!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s