422 kilometer

‘Je bent wat?’
‘Zoekende.’
‘En wat zoek je dan?’
‘Weet ik niet. Het is niet per se sneller. Winnen doe ik toch alleen maar van mezelf en ik kan er prima mee leven dat een eerdere zelf vooralsnog gewonnen heeft. Het is dus iets met verder.’
‘Oké, Verder. Verder dan wat?’
‘Of meer. En extremer. Hoger. Warmer. Of juist kouder. Iets in die lijn.’
‘Dan wat?’
‘Dan wat al was. Dan wat ik al heb gedaan. Meer dan een triathlon. Meer dan iets verder dan een marathon. Meer dan een veelvoud aan marathons in een jaar.’
‘Waarom?’
‘Waarom niet?’
‘Omdat je er misschien nooit achter komt. Misschien vind je nooit precies wat je zoekt.’
‘Misschien…’
‘En misschien ga je wel stuk.’
‘Dan heb ik het in ieder geval geprobeerd.’
‘Dat is gemakkelijk gezegd zolang het nog niet zo ver is.’
‘Ik heb deze maand uitgeprobeerd of ik stuk kon gaan. Iedere dag hardlopen. Minimaal 10 kilometer. In totaal kwam ik op 422 kilometer.’
‘In een maand?’
‘Jup! Voelt een beetje als een ultra-interval of zo.’
‘Ben je er blij mee?’
‘Soort van. Alles is heel gebleven. Heb nog nooit zoveel gelopen in een maand. Daarbij was het natuurlijk aan de warme kant. Gezien ik geen warm-weer-loper was, is dat ook wel een overwinning.’
‘Geen pijntjes?’
‘Tuurlijk wel. Iedere dag lopen ga je voelen. Alle kleine pijntjes zijn groot geworden en de snelheid was er uiteindelijk ook wel redelijk uit. Maar puntje bij paaltje is alles nog heel en kan ik nu een paar rustdagen pakken.’
‘Nou, mooi. En dan?’
‘Ja, dat weet ik dus niet. Ik denk een ultraloop uitzoeken of zo.’
‘En even netjes die 12 marathons afmaken, hè?’
‘Ja, die ook. En ondertussen plannen maken voor volgend jaar.’
‘Weet je? Op een gegeven moment is het op.’
‘Wat is op?’
‘Of jij of de uitdagingen.’
‘Groot kans dat ik dat ben.’
‘Ja, groot kans.’
‘…’
‘Dus waarom dan?’
‘Dat vroeg je net ook.’
‘En toen gaf je ook geen antwoord.’
‘Omdat ik gewoon wil weten waar de grens ligt.’
‘En dan?’
‘Dan weet ik dat.’
‘Maar waarom?’
‘Weet je? Op een gegeven moment is het op.’
‘Wat?’
‘De waarom. Soms doe je iets omdat je voelt dat je het moet doen. Niet omdat iemand je vertelt dat je het moet doen. Sterker nog, heel je omgeving snap niet zo goed dat je doet wat je doet. Maar het voelt goed. Het voelt goed op zoek te zijn naar meer. Op zoek te zijn naar verder. Gewoon omdat het kan. Het maakt de boel stukken concreter dan dromen, wensen en zweven. Het zorgt ervoor dat je de ‘wat als?’ en de ‘ik zou zo graag…’ uitvoert in plaats van deze enkel maar uit te spreken.’
‘Maar dan ben je toch niet zoekende? Dan is het doen, het steeds meer en verder doen toch wat je zegt te zoeken? En dan ben je dus niet 422 kilometer een doel aan het zoeken, maar ben je gewoon 422 kilometer lang dat doel aan het vinden.’
‘Dat klinkt wel een beetje zweverig.’
‘Maar het is wel waar.’
‘Hmm… Misschien. Ik zoek nog wel even verder.’

De 67e plek

De kramp schoot in mijn bovenbeen en ik stond stil. Of tenminste, ik liep niet meer hard. Ik hobbelde kreunend naar een boom om me tegen af te zetten. Ik keek achterom alsof het er toe deed of iemand mij inhaalde (want dat deed het). Alsof het van groots belang was dat ik mijn geschatte 67e plek in de groep van 300 man met hand en tand verdedigde (want dat was het). We zaten op 35 kilometer en de marathon was de enige afstand bij deze wedstrijd. Het was zowel voor me als achter me rustig. Helemaal in de verte zag ik 2 stipjes; nummer 68 en nummer 69, mijn directe concurrentie. De kramp trok langzaam weg en ik ging rechtop staan. Nee! Daar was ie weer. Terug naar mijn boom. Tussen het vloeken en strekken door zag ik de stipjes mensjes worden.

Een man met een herdershond liep langs. Ze leken zich niet bewust van de wedstrijd. De hond snuffelde aan mijn boom en vond hem goed genoeg voor zijn behoefte. Tijd om door te gaan. Mijn bovenbeen slaagde voor de 2e rechtop-sta-check en voor de terug-hobbel-naar-het-fietspad-check. Ik nam een slok uit mijn bidon en keek nog eens achterom. De mensjes waren een man en een vrouw geworden. Ze aasden op mijn 67e plek.

Ik startte zoals ik vaker was gestart na kramp: voorzichtig hobbelend, blij dat hij voorbij was en wetende dat hij ieder moment terug kon komen. Een nogal angstige manier van lopen. Zeker wanneer je de 67e plek verdedigt.

Het begon te regenen. Al de hele marathon waren er heftige buitjes die werden afgewisseld door net te warme zonneschijn. De snelheid wilde niet terugkomen. Hij was er vlak voor de kramp nog en nodigde deze zelfs uit, maar nu de kramp weg was, lieten de benen het gewoon afweten. Ze deden het nog, maar wilden niet echt meer. De man en vrouw werden hoorbaar. Ze praatten met elkaar en hun stemgeluid kwam steeds dichter bij mijn 67e plek. Plots vielen ze stil. Als 2 jagers die hun prooi niet wilden afschrikken. Maar deze prooi was weerloos en dat wisten zij ook wel.

Ik werd ingehaald. De man – die er nog verrassend fris uitzag – keek om, glimlachte en knikte naar mijn shirt. “Daar heb je pleisters voor,” zei hij in het voorbijgaan. Ik keek ook en zag dat afwisselend regen en zon in combinatie met een iets te grof shirt het werk had gedaan: bloedende tepels. Kon er ook nog wel bij…

Voor de finish mij uit de ellende verloste, werd ik nog 1 keer ingehaald. Door een man die zijn 2e adem gevonden leek te hebben. Op 1 kilometer voor de streep snelde hij mij voorbij alsof hij pas net gestart was. Toen ik als 70e loper de finish passeerde en 5 minuten later mijn bebloede shirt in de kleedkamer uittrok, besloot ik nooit meer een marathon te lopen. Ik was er helemaal klaar mee. De veroveraar van de 67e plek plofte naast me op het bankje. Hij zag er ineens niet zo fris meer uit. “Hebben we toch mooi maar weer geflikt,” zei hij terwijl hij zijn duim naar me opstak en zijn hoofd tussen zijn knieën liet zakken.

Ja. Dat hebben we inderdaad toch mooi maar weer geflikt! Ware woorden vanaf de 67e plek! Toch mooi maar weer bewezen dat het lichaam én de geest te pushen zijn tot prestaties waar ze eigenlijk niet voor bedoeld lijken te zijn. Toch mooi maar weer die comfort zone uit. Toch mooi maar weer eentje voor in de boeken. Toch mooi maar weer geflikt…

Amersfoort: de rommeligste marathon

Evenement: Amersfoort Marathon
Datum: zondag 10 juni 2018
Starttijd: 10:30
Plaats: Amersfoort
Deelnemers: 115
Eindtijd: 3:44
“Jaaaaa! Klein stukje nog!” riep toeschouwer na toeschouwer langs de kant. “Je bent er bijna!” En ja, dat klopte. Wanneer je de halve liep…
Klinkt niet zo lief: de rommeligste marathon. Is het misschien ook niet. Maar toch was Amersfoort de rommeligste marathon die ik liep. Geeft niet vreselijk veel, want ik heb er weer één gelopen, had al met al een prima dag en doe graag uitspraken als ‘er zijn ergere dingen in de wereld’…
Eerlijkheidshalve moet ik wel zeggen dat ik denk dat de Amersfoort Marathon enkel rommelig was voor de 115 marathondeelnemers. En dus niet zozeer voor de kleine 5.000 andere deelnemers op de – hou je vast – 1,1 kilometer kidsrun, 2,2 kilometer kidsrun, 5 kilometer, 10 kilometer, halve marathon, estafettemarathon en – even inademen hoor – wandelmarathon. Hmmm, daar heb je het dus: er is wel heel erg veel te doen en dat is allemaal met en in elkaar verweven. Organisatorisch past het allemaal ook nog eens naadloos. Als je er echter op inzoomt naar een enkele marathonloper als ik, zitten er toch wat haken en ogen aan de ervaring die dat oplevert.
Laat ik niet doen alsof alle afstanden tegelijk startten en kris-kras door elkaar liepen waardoor er treintjes van geoefende marathonlopers met 18 kilometer per uur over kleuters heen denderden. Zo erg was het ook weer niet. Wat erg was – of eigenlijk ergerlijk – was het tegelijk starten van de halve marathon met ruim 1.000 deelnemers, de 30 teams van de estafettemarathon en de 115 man op de marathon met vlak daarna de 400 wandelaars van de wandelmarathon van 21,1 kilometer.
Wat je kreeg op een parcours van 2x een halve marathon was het volgende:

  • Drukte in het begin doordat er geen trechterstart werd gebruikt, zodat het parcours overbevolkt raakte op de smallere stukken;
  • Een sfeer in de lange slinger van lopers die zich gedroeg naar de halve marathon met ‘we zijn op de helft’, ‘we zijn er bijna’ en sprintjes tegen het eind aan;
  • Toeschouwers langs de kant die de halve marathon supporterden en daardoor zeker tegen het einde aan de laatste loodjes-kreten ten gehore brachten;
  • Estafettelopers die je als frisse hoentjes voorbij kwamen huppelen omdat ze nu eenmaal een kleinere afstand op hogere snelheid konden afleggen;
  • Een gigantische afname in het aantal toeschouwers in de 2e ronde;
  • Een muur van wandelaars in de 2e ronde die – uitzonderingen daargelaten – de volle breedte van het parcours gebruikten voor de wandeltocht en daarmee de rechte lijn die je als marathonloper wilde aanhouden doorbraken.

Ik snap de wil om een vol programma neer te zetten zodat iedereen bediend wordt. Ook realiseer ik me dat een groot deel van mijn punten zich tussen de oren afspeelt. Maar laat dat nou net de plek zijn waar ik mijn marathon voornamelijk loop…
Dus, dikke tip voor de organisatie: maak dit minder rommelig. Ik weet niet precies hoe en snap ook wel dat ‘makkelijk lullen is vanaf de zijlijn’, maar laat mij de kritische, licht ervaren noot vanuit het deelnemersveld zijn die wat goedbedoelde stof tot nadenken over de zijlijn heen roept.
Deze niet enkel zure noot wil overigens ook nog wel even kwijt dat hij erg blij was met de aantrekkelijke route, de enthousiaste vrijwilligers en de vele muziek- en waterpunten. Al miste ik wel sponsposten… En was de medaille wat klein… En niet uniek per afstand… En, oké klaar nou…! Laten we elkaar gewoon een handje geven en niet per se afspraken maken over of we dit nog eens doen. Oké? Oké. Ik moet gaan nu. Doei.

Thierry’s tips: eten en drinken

Met vijf jaar in de benen en in het hoofd, mag ik best eens iets gaan vinden van hardloopgerelateerde zaken. En daarom ga ik vanaf nu, ter afwisseling van het delen van mijn ervaringen, eens in de zoveel tijd een tip-lijstje (Thierry’s tips, want alliteratie!) neerpennen. Niet omdat dat precies is wat jij moet doen, maar omdat het precies is waar ik iets aan heb. Dikke disclaimer: ik ben ik en jij bent jij. Vind dus vooral uit wat het best bij jezelf past, maar weet dat deze tips werken voor mij. Lijstje één gaat over voeding in aanloop naar en op de wedstrijddag.

Tip 1: Drink veel water
De allerbeste tip op dit vlak die ik je kan geven: drink veel. Niet zoveel dat het ongemakkelijk wordt, maar wel zoveel dat je jezelf er in het begin actief aan moet herinneren dat je nog maar eens wat moet drinken. Gewoon water. Ik ben niet van de proteïne-shakes of bietensap. Water. Water. En nog eens water. Twee liter per dag, minstens. En dat zeker 5 dagen van tevoren. Mag je verder dan niets anders drinken? Natuurlijk wel. Ik start geen dag zonder dubbele espresso. In een marathonweek minder ik echter aanzienlijk en probeer ik het bij één of twee te houden. Verder drink ik in de avond graag van die caloriearme frisdrank van de Lidl. Saskia heet ze (je verzint het niet…). Ik tel geen calorieën, maar daar zitten er bij dat spul niet al te veel van in. Eén a twee glazen per dag kunnen dus prima.

Tip 2: Eet pannenkoeken
Eigenlijk is dit niet eens een tip die iets met hardlopen te maken heeft. Pannenkoeken zijn namelijk altijd een goed idee. Maar buiten dat ze een goed idee zijn, bestaan ze voor een heel groot deel uit koolhydraten en laat je die nu net nodig hebben tijdens je lange afstandsloop. Ze compenseren geen gebrek aan training, maar als je alles in aanloop naar je (halve) marathon goed hebt gedaan, zijn de pannenkoeken het kersje op de taart. Van die taart mag je overigens ook best een extra stukje nemen in je wedstrijdweek. Zoals met alles: wel met mate. Er is een omslagpunt waar stapelen overgaat in vet opslaan. Geen idee waar dat precies zit, maar ik vermoed dat 16 pannenkoeken en 2 stukjes taart in een week tijd aan de veilige kant zitten. En zo niet, dan lalalalaikkanjeniethoren.

Tip 3: Experimenteer vóór je wedstrijd
Een echt gevoerd gesprek:
“Zo, even wat gelletjes gekocht voor m’n eerste halve komend weekend.”
“Ah top! Loop je daar fijn op?”
“Geen idee. Ga ik van ‘t weekend achter komen.”
“…”
Net zoals je niet op nieuwe schoenen gaat lopen tijdens een wedstrijd, ga je ook niet experimenteren met voeding en drank tijdens een wedstrijd. Je hebt namelijk geen idee hoe iets binnenkomt en wilt niet op twintig kilometer in je eerste marathon over je nek gaan omdat de appel-gel helemaal niet naar appel smaakt, maar naar groene Fernandes met suikerklontjes. Daarbij is het nog een heel gedoe om zo’n gelletje tot je te nemen. Zeker een eerste keer. Oefen daar dus vooral vooraf mee. Net zoals met repen, bananen en sportdranken.

Tip 4: Beloon jezelf achteraf
Je bent er! Je hebt het gedaan! Vette medaille, vette ervaring! En waarom dan geen vette hamburger? Of dat ene vette speciaalbiertje. Nu hoef ik je niet per se te vertellen dat dat een goed idee is, maar de tip die ik je hier geef is dat je dat dus wel even vóóraf in huis haalt. Toen ik vorig jaar naar de Ironman in Zweden ging en al negen maanden geen druppel alcohol had gedronken, gingen er mooi twee blikken Guinness mee in de koffer. En de gefinishte ik was destijds maar wat blij met de kofferpakkende ik! De gefinishte ik viel wel om na de eerste van de twee blikken, maar dat was kofferpakkende ik niet aan te rekenen.

Tip 5: Mijn marathonvoeding
Dit wordt dus heel persoonlijk, want het is mijn eigen ding, maar na 14 marathons heb ik in ieder geval voor mezelf redelijk door wat werkt. Uitgaande van een zondagochtendmarathon is dit mijn weekschema op het vlak van eten en drinken:
Maandag tot en met donderdag
Minimaal één keer pannenkoeken en één keer macaroni met spinazie, kip en kruidenboter (yes, dat is meteen het hele recept).
Vrijdag
’s Morgens én ’s avonds pannenkoeken.
Zaterdag
’s Avonds koude pastasalade.
Zondag
Voor de wedstrijd: enkele espresso, glas melk, glas water, twee pannenkoeken met appelstroop, twee witte bolletjes met appelstroop, twee bruine boterhammen met appelstroop.
Tijdens de wedstrijd: minimaal twee liter water, vanaf het halve marathon-punt twee a drie keer sportdrank, banaan op twintig kilometer, SIS Go + Caffeine Berry gel op vijfentwintig kilometer, banaan op dertig kilometer, SIS Go + Caffeine Berry gel op vijfendertig kilometer, SIS Go + Caffeine Double Espresso gel op negenendertig kilometer.
Na de wedstrijd: pak Chocomel, zak winegums, reep chocola met hazelnoten.
En thuis staat een ijskoud speciaalbiertje te wachten.

Zo. Da’s een heel verhaal. Waar het eigenlijk allemaal op neerkomt, naast common sense en wat kennis over onder andere koolhydraten en water, is uitproberen, uitproberen en nog eens uitproberen. Iedere training kun je gebruiken om nieuwe zaken in uit te proberen en werkt iets tijdens een wedstrijd niet? Dan pas je dat een volgende wedstrijd aan. Zolang je verder blijft luisteren naar je lichaam en reageert op wat het je vertelt, komt het allemaal goed. Sowieso als je jezelf naderhand trakteert op chocolade. Want chocolade.

Leiden: de fijnste marathon

Evenement: Leiden Marathon
Datum: zondag 27 mei 2018
Starttijd: 10:45
Plaats: Leiden
Deelnemers: 708
Eindtijd: 3:36

“Ziet er goed uit, Thierry!” riep de toeschouwer vanuit de berm. “Even volhouden nog!” Ik kon hem totaal geen ongelijk geven en volgde zijn advies op.

Ik had de strekking van dit stuk dus al helemaal bedacht vooraf. Iets met: ‘in verzengende hitte krampachtig en dorstig lijden tijdens de tweeënveertig van Leiden’. Krantenkopje, hè? Het zou een melancholische en poëtische uiteenzetting worden van de wijze waarop mijn krachten mij dit jaar marathon na marathon steeds wat meer in de steek lieten. Het stuk zou wellicht eindigen met de mededeling dat ik er helemaal klaar mee was en dat ik mij lekker op punniken zou storten of zo. Wee mij. Arme ik. Boehoehoe.

Maar… De marathon van Leiden was fantastisch!

Ja, het was vreselijk warm. Zo warm dat ik grote delen met pet op liep en dat doe ik eigenlijk nooit. Zo warm dat ik een week lang liters en liters water had gedronken ter voorbereiding. Zo warm dat ik vooraf zo bang was dat ik helemaal stuk zou gaan van de hitte. Maar laat de organisatie van Leiden zich nou net als ik goed voorbereid hebben! Extra sponsposten, extra waterposten, waarschuwingen aan alle kanten; meer had de organisatie niet kunnen doen. Meer deed het publiek wel: tientallen initiatieven van subtiele tuinslangen tot complete sproei-installaties en van kinderen met enkele bekertjes tot waterposten die niet voor officiële hadden onder gedaan. Ik heb er welgeteld nul overgeslagen en ben de initiatiefnemers stuk voor stuk dankbaar!

En ja, het was vreselijk ver. Toch weer tweeënveertig kilometer en honderdvijfennegentig meter om precies te zijn. Twee weken na mijn vorige poging zag ik daar toch net wat meer tegenop dan bij eerdere marathons. Vooral omdat de vorige drie pogingen nou niet bepaald krampvrij waren verlopen. Maar… ik kreeg geen kramp! Dat was even geleden en heel erg welkom. Die kramp zat namelijk na Tilburg echt niet meer alleen in mijn bovenbenen. Die begon vooral tussen mijn oren te zitten. Gezien hij uitbleef door al die litertjes water tijdens én voor de race heb ik er vertrouwen in dat dit weleens de tactiek kan zijn die ik altijd moet hanteren. Sommigen stoten zich geen tweemaal aan dezelfde steen. Ik had er een behoorlijk hoopje stenen voor nodig, maar denk dat ik inmiddels weet hoe ik de volgende moet mijden.

Tot slot het publiek. Ik had een kopietje van Utrecht of Tilburg verwacht. Dit was echter een prachtig volksfeest dat haast kan tippen aan dat feestje in Rotterdam. Natuurlijk hielp het weer een handje mee, maar het publiek stond echt overal en zorgde voor golven van applaus, high-fives, muziek, bananen, winegums en puur enthousiasme.

Kortom, Leiden had ik echt even nodig en heeft mijn geloof in een prettige marathon die vlak te lopen is weer volledig hersteld. Mijn eerder bedachte klaagzang gaat nu dus totaal niet op en dat klinkt dan misschien stukken minder dramatisch, ik teken ervoor! Op naar Amersfoort!

Tilburg: de gemoedelijkste marathon

Evenement: Marathon Tilburg
Datum: zondag 13 mei 2018
Starttijd: 09:30
Plaats: Tilburg
Deelnemers: 316
Eindtijd: 3:53

“Genieten hier! Of niet dan?” zei de beste man nadat ik hem weer inhaalde. Vlak daarvoor was hij plots gestopt met hardlopen en haalde hij zijn telefoon uit zijn flipbelt. Even rustig een fotootje maken van het Brabantse land. Moet kunnen…

De marathon van Tilburg was nieuw. Nou ja, bijna nieuw. Ze deden het hier voor de tweede keer. Maar ze pakten het wel meteen groots aan met een hele, een halve, een kwart én een achtste marathon. Veruit de meeste deelnemers kozen voor de halve, maar ook de hele mocht rekenen op ruim driehonderd sportievelingen. Al met al was het een gemoedelijk dagje. Gemoedelijk met een zachte g natuurlijk, want Brabant.

De start was lekker vroeg en het weer was met een graad of dertien en wat motregen perfect. Aan de omstandigheden lag het dan ook zeker niet. Ook niet aan de stadsdichter en de zanger die ons vanuit een hoogwerker respectievelijk een gedicht over hardlopen en een gemoedelijke versie – want half tien op de zondag – van Guus’ Brabant toeschalden.

Na de start merkte ik al vrij vroeg dat ik niet de dag ervoor heel de dag had moeten klussen. Ook was het half uur lange sprintje op de fiets eerder op de dag – waarna de trein natuurlijk gewoon vertraging bleek te hebben – niet echt ideaal voor de benen. Deze voelden dan ook al vrij snel vrij zwaar. Te zwaar merkte ik na vijf kilometer al. Toch gingen de eerste vijfentwintig kilometer best lekker. En ineens was daar de kramp, inmiddels een goede bekende. Eigenlijk kan ik ook niet meer van ‘ineens’ spreken. Hij was er gewoon, als verwacht. Ik moet toch binnenkort eens aan mezelf uitleggen waarom ik dit dan blijf doen…

De laatste zeventien kilometer waren een ietwat langere strijd dan gewenst. Ik vervloekte mezelf en daarbij mijn benen en voeten in het bijzonder. Gemoedelijk vervloeken, dat wel. Vervloeken en gemoedelijk lijken niet helemaal samen te gaan, maar gek genoeg went zelfverkozen lijden waarbij een finish altijd (hoe ver deze ook nog is) in het verschiet ligt. Ik weet dat ik er desnoods kruipend of hinkend overheen ga; die finishboog komt en ik ga er onderdoor.

Het was een marathon zonder uitersten. Niet al te veel publiek, maar ook geen kilometers zonder. Zo af en toe eens een blaaskapel of een bewoner die zijn speakers voor de gelegenheid testte. Prima bevoorrading, attente vrijwilligers en een nette verzorging voor en na de race. Al met al erg gemoedelijk, maar niet heel bijzonder. Bij de finishboog klonk de gebruikelijke speaker en ontving ik mijn welverdiende medaille.

En zo finishte ik mijn dertiende marathon op een al wat voller Koningsplein en ben ik na vier marathons dit jaar nog steeds op zoek naar die eerste echt succesvolle. Misschien komt kwantiteit de kwaliteit toch niet helemaal ten goede.

Over twee weken nummer vijf…

Wat ik haat aan hardlopen

Gekke titel natuurlijk voor een hardloopblog: ‘Wat ik haat aan hardlopen’… Zeker gezien ik van heel veel dingen hou binnen het hardlopen. Dingen als bijvoorbeeld een lopersgroet, persoonlijke records of het finishen van een marathon.

Dat dus vooropgesteld. Maar vanmiddag werd ik door een uitspraak van Olivier Heimel, hoofdredacteur van de Runner’s World, en later door een zwerm vliegjes in mijn mond tijdens m’n avondschemerloop aan het denken gezet. De relatie tussen de zwerm vliegjes in mijn mond en het haten moge voor zich spreken, maar de quote van Heimel zal ik even optekenen en uitleggen. Hij vatte zijn ervaring met zijn allereerste marathon namelijk samen in de uitspraak ‘Je bent tijdens een marathon gewoon een paar uur lang boos op jezelf’. En dat is eigenlijk best raar wanneer je met het, zeker wat mij betreft, mooiste element uit je hobby bezig bent. Best raar, maar wel waar.

Voor ik overigens naar de uitleg daarvan ga, een paar andere haatzaken naast vliegjes. Even snel. Dan heb ik ze allemaal een keer van me afgeschreven en hoef ik er niet los hiervan een heel onsmakelijk blog aan te wijden. Hier komen ze: schuurplekken in de lies, bloedende tepels, loslatende teennagels en Tom Dumoulintjes in de graskant. Zo. Dat is uit de weg. Op al deze punten kom ik overigens steeds beter uit de verf door gebruik van vaseline, strakzittende kleding, ruimere schoenen en de juiste ontbijtsamenstelling. Kwestie van al-doende-leert-men…

Maar wat dus niet weg te smeren of uit te balanceren lijkt, is dat ik mezelf soms haat tijdens het hardlopen. En dat haat ik op die momenten het allermeest aan hardlopen. Ik haat vooral de kilometers tussen tweeëndertig en veertig van een marathon. Steeds weer opnieuw. Gezien ik mezelf bewust ook voor die kilometers heb opgegeven, ben ik dus boos op mezelf. Ik vervloek mijn toenmalige idee van het inschrijven, vind de trainingen die geleid hebben tot deze acht helse kilometers nutteloos en wil het liefst opgekruld in de berm gaan liggen tot iemand me oppakt en over de finish tilt. De reden dat ik toch doorloop – de ene keer sierlijker dan de andere keer – is een piepklein stemmetje dat de haat overstemt. Dit stemmetje vertelt mij dat die medaille glanst, dat het ijskoude finishbiertje beter smaakt dan alle andere en dat het verhaal van de marathon uiteindelijk mooier is dan de gevoelens tijdens die acht kilometer. Mede dóór die acht kilometer.

Gek dat een stuk zelfkastijding nodig is om je hobby tot de max uit te kunnen voeren. Maar toch blijft ik die marathons lopen. De uitdaging zit hem er juist in dat stemmetje te vinden en hem steeds iets harder te laten klinken. Dat lukt me al beter dan in het begin, al ben ik er zeker nog niet. In Rotterdam ging het onlangs ondanks een niet al te lekkere laatste tien redelijk prima, maar vorige maand in Utrecht werd het stemmetje zo goed als weggedrukt door kou, kramp, zelfmedelijden en algehele hardloophaat.

Ik hoop dat ik het stemmetje blijf vinden, maar het hoeft van mij nooit op voorhand al te winnen. Het hoeft van mij nooit makkelijk te worden. Want juist het overwinnen van die haat maakt het houden van hardlopen zo mooi. En als het dan toch ooit te makkelijk wordt? Dan zoek ik het nog verder. Nog hoger. Nog extremer. Tot ik weer een haat vind die het verhaal weer mooi genoeg maakt. En zo ben je er dus nooit écht en duurt de reis voort. En daar hou ik dan wel weer van…