Pats! Een zweepslag…

Ik zette af zoals ik duizenden keren had afgezet. Gewoon mijn linkerbeen onderweg naar een volgende stap. Een nietszeggende pas halverwege een nietszeggende training op een nietszeggend paadje in een nietszeggend grasland.

‘Pats!’

Er knapte iets in mijn linkeronderbeen. Hoorbaar zelfs, meende ik. Het voelde aan als een messteek en nog voor ik landde, wist ik dat het niet goed zat. Ik kon geen normale stap meer zetten en vloekte en tierde in het nietszeggende grasland tegen niets en tegen alles.

De eerste halve minuut schoot er van alles door mijn hoofd: ‘Hoe kan dit? Ik ben nog nooit geblesseerd geweest!’, ‘Hoe moet het nu met al m’n marathonplannen?’, ‘En mijn vooraf gereserveerde podiumplekje bij de cross morgen?’. Vlak daarna werd het heel praktisch. Ik stond tenslotte in een nietszeggend grasland op vier kilometer van huis en kon geen normale stap meer zetten. Gelukkig had ik mijn telefoon bij me.

Een half uur later was ik een kilometer verder gestrompeld naar een met de auto bereikbare weg en werd ik opgehaald. Nog een half uur later stond ik onder de douche en concludeerde ik dat het er niet af te douchen was. Nog een half uur later stelde de dienstdoende weekendarts een zweepslag in de kuit vast nadat hij een klein kuiltje in de spier waarnam. Hooghouden, koelen en twee tot acht weken rust. Ik kreeg een hippe steunkous mee voor wat compressie.

Maar wacht eens even. Twee tot acht weken rust? Twee tot acht weken rust? Maar… Ja, wat maar? Recht staan doet al pijn. Naar de andere kant van de kamer lopen doet al pijn. Dat wordt gewoon de komende tijd helemaal niet hardlopen. En daar kan ik van alles van vinden, maar soms is het beter om lekker snel bij de laatste van de vijf fases van verwerking uit te komen: acceptatie.

Dat lukt nu alleen nog niet zo lekker. Nu vind ik dit gewoon vreselijk stom en vreselijk oneerlijk. Ik wil gewoon hardlopen! Acceptatie is uiteindelijk onvermijdelijk, maar nu bovenal zo vreselijk… nietszeggend.

Apeldoorn: de langste marathon

Evenement: Kroondomein Het Loo Marathon (Midwintermarathon)
Datum: zaterdag 3 februari 2018
Starttijd: 10:30
Plaats: Apeldoorn
Deelnemers: 150
Eindtijd: 3:49-ish

“Hoe weten jullie waar je naartoe moet?” riep de man van het stel-met-hond nadat ik ze passeerde.
“Hij navigeert,” riep ik hem wijzend naar mijn anonieme voorganger toe. “Hoop ik!”

Afgelopen zaterdag liep ik mijn langste marathon. Niet figuurlijk gesproken overigens. Ik liep gewoon een extra kilometer nadat ik linksaf was geslagen, waar ik rechts had gemoeten. Uiteraard moest ik dat stuk ook weer terug. Mijn eindstreep lag op een kleine 45 in plaats van de geplande 42,195 kilometer. Geen ramp, want het waren 45 prachtige kilometers…

De Kroondomein Het Loo Marathon van de Midwintermarathon in Apeldoorn was het zaterdagse voorprogramma in een weekend met nog veel meer loopgeweld. De hoofdmoot vond plaats op de zondag met de Asselronde (25 kilometer), de mini-marathon (wat een gekke naam is voor een 10 mijl, maar goed…), de 8 van Apeldoorn en een kidsrun. Niets van meegekregen overigens, want toen lag ik allang weer spierpijn hebbend thuis op de bank te genieten van mijn prachtige medaille.

De marathon was een trail en dat heb ik geweten. Mijn eerste echte trailloop – op twee kleine grasveld-crossjes na – was er één van pittige heuvels, glibberige modder, gemene takken over het pad en oneindig veel Hollandsch natuurschoon. Daarbij was het de bedoeling dat de circa 150 deelnemers zelf de navigatie op zich namen. En waar iedereen druk navigerend met het door de organisatie geleverde gpx-bestand in de weer was, had ik de arrogante gedachte dat ik dat klusje wel even zou klaren zonder navigatiehorloge. Ik nam nog wel het kaartje van de organisatie aan en had de route in mijn telefoon gezet, maar was van plan vooral lekker achter mijn voorganger aan te hobbelen. Het nadeel met zo’n klein deelnemersveld is echter dat voorgangers wel eens net wat verder van je weg kunnen zijn dan je zou willen. Het bochtige parcours kwam dit niet ten goede. Zodoende volgde ik na een kilometer of 35 het roze hesje van een – zo bleek achteraf – niets met het evenement te maken hebbende mountainbiker en begon ik aan de ruime kilometer die de rest toch maar mooi gemist heeft. Nadat het wel erg lang stil bleef om mij heen en ik echt niets of niemand meer in het zicht had, heb ik mijn telefoon erbij gepakt. Daarop knipperde mijn stipje behoorlijk ver van de routelijn af waardoor ik wakker schrok en rechtsomkeert maakte.

Aangezien ik er echt niet voor een tijd liep, baalde ik niet al te stevig. Zeker niet gezien het al met al een prachtige omgeving was en ik er ergens wel de humor van kon inzien dat mijn arrogantie op die manier werd afgestraft. Ik nam de extra kilometers op de koop toe en finishte tevreden in de ijzige miezerregen.

Nog elf marathons te gaan om mijn doel van dit jaar aan te tikken. Langer zullen ze niet snel worden en glibberiger en kouder waarschijnlijk ook niet. Ook ben ik bang dat ze niet heel veel mooier gaan worden, maar zelfs als dat niet zo is, heeft iedere marathon wel weer zijn eigen verhaal. Hopelijk valt dat verhaal de volgende keer wel in mijn voordeel uit…

Op bekerjacht in Binnenmaas

Het is zondag 21 januari 2018 en vandaag ga ik voor het eerst in mijn bijna vijfjarige hardloopcarrière voor een prijs. En het is dan misschien geen grootse prijs, maar sinds ik vorig jaar op het slotstuk van het Beers cross drieluik op het eiland Tiengemeten een tweede plek behaalde op de vijf kilometer wil ik deze prijs. Ik kreeg destijds namelijk geen beker. Die waren enkel voor de winnaars van het eindklassement. En daar moest je de twee eerdere lopen ook voor hebben gelopen. Had ik niet. Ik kreeg voor mijn tweede plek een cadeaubon van een lokale kledingwinkel. Zeker aardig, maar ik wilde een beker. Gewoon, omdat ik dan een echte hardloopbeker zou hebben.

Nu, bijna een jaar later is er een nieuw drieluik. De eerste cross is in Binnenmaas, rond de recreatieplas. Dit keer sta ik ingeschreven voor alle drie de wedstrijden. En die winnaars van het eindklassement van het gehele drieluik? Daar ga ik er dit jaar één van zijn! Want dan heb ik een echte hardloopbeker! Alleen nog even drie keer op of in de buurt van het podium eindigen.

Tien uur. Startnummer halen. Snel een kopje koffie. Jasje uit. Joggingbroek uit. Beetje inlopen en het terrein verkennen. Oeh! Drassig! Tsja, dat hoort bij een cross. Loopt daar nou iemand te strooien op het asfalt? ‘Uitkijken zo! Op deze stukken kan het nog glad zijn!’ Ja, daar loopt iemand te strooien. Vijf minuten voor de start. De starter roept iets over gladheid, modder en vooral veel plezier hebben. Start! Wow. Het gras is echt drassig. Ik lig zesde na de eerste honderd meter. Zesde, daar zijn we niet voor gekomen. Nog eens honderd meter verder heb ik de vierde plek te pakken. Ik loop gelijk op met een jongen die ik al herkende van de cross op Tiengemeten. Daar hadden we een mooie strijd om de tweede plaats die ik uiteindelijk won. Vandaag spelen we, zoveel mogelijk de modder ontwijkend, hetzelfde spelletje om de derde plaats. De nummer één is sowieso al te ver weg en nummer twee lijkt ook een voor mij te hoog tempo te hebben. De jongen en ik wisselen twee keer van plek en dan weet ik een klein gaatje te slaan.

De resterende drie kilometer word ik opgejaagd door voetstappen achter mij. Bizar hoe spannend het lopen om een plek kan zijn. Normaal ben ik bezig met mijn eigen tempo en ben ik me wel bewust van lopers om mij heen, maar niet zo extreem als nu. De laatste kilometer lijkt zo vreselijk lang. Ik denk dat ik het ga redden, maar zeker weten doe ik het niet. Op het laatste veld is een soort slalom uitgezet waardoor ik al slingerend ineens prima kan zien waar ik lig ten opzichte van de rest. Ik heb een seconde of tien, schat ik in. Moet genoeg zijn. Maar terwijl ik dat denk, is daar ineens de finish. Mijn horloge geeft aan dat we nog zeker vierhonderd meter hadden gemoeten voor een echte vijf, maar laat ik niet klagen en gewoon finishen.

Derde! Ik ben derde! – Hijs het rood-wit-blauw. Laat het volkslied door de speakers schallen! Ontkurk de champagne! Huldig mij! – De prijsuitreiking vindt plaats op de parkeerplaats van de plas met de bekende lokale kledingwinkel-waardebonnen. Helemaal goed. Die beker komt er. Straks in maart op Tiengemeten. Maar volgende maand eerst nog de Hellegatcross bij de Banaan in Ooltgensplaat voor deel twee van mijn bekerjacht.

Zo’n loopje…

Zo’n loopje…
Dat je van jezelf moet lopen, maar wat je uitstelt tot later.
Zo’n loopje…
Waarbij je steeds op de klok kijkt om te bepalen of je hem nog kunt doen voordat je te laat bent voor je volgende verplichting.
Zo’n loopje…
Dat je in de ochtend wilt doen voordat je naar je werk gaat, maar wat je uiteindelijk ‘s avonds moet lopen omdat je de deur maar niet uit komt.
Zo’n loopje…
Dat vervolgens de hele dag door je hoofd spookt omdat je hem nog moet lopen. Na het avondeten. In hetzelfde donker als vanmorgen, maar gevoelsmatig een net iets donkerder donker.
Zo’n loopje…
Waarvan je je op een gegeven moment afvraagt hoe erg het zou zijn om nou net dit loopje over te slaan.
Zo’n loopje…
Waarbij je je schoenen net wat meer bedachtzaam strikt terwijl je net wat te diep zucht.
Zo’n loopje…
Met een klotsend volle maag van het avond eten omdat te lang wachten het echt te laat op de avond maakt en je niet met loopbenen in bed wilt kruipen.
Zo’n loopje…
Vol met pijntjes die er zeker weten vanmorgen niet waren geweest.
Zo’n loopje…
Waarbij je ineens de naden van je sokken voelt zitten.
Zo’n loopje…
Waarbij je heel lang niet op je horloge kijkt tot je het, in de volle overtuiging over de helft te zijn, wel doet om er achter te komen dat je net op een derde zit.
Zo’n loopje…
Waar je die grote plas verkeerd inschat zodat je er met een paar ferme passen doorheen stampt met natte voeten als gevolg.
Zo’n loopje…
Met een verkeerde afslag zodat je een kilometer te veel loopt.
Zo’n loopje…
Waar geen eind aan lijkt te komen.
Zo’n loopje…
Wat er ook gewoon soms bijhoort.
Zo’n loopje… had ik net. En ik ben blij dat ik hem heb gelopen. Op naar het volgende loopje!

Intervallen

‘Ah nee! Interval!’
‘Wat?’
‘Interval!’
‘Ja, dus?’
‘Da’s superstom. Wie zet dat nou op het schema?’
‘Uhm. Jijzelf. Het is jouw zelfgemaakte schema.’
‘Ik haat de ik-van-toen.’
‘Hij had het beste met je voor.’
‘Zal best.’
‘Weet je nog dat jaar waarin je zo goed als geen intervaltrainingen deed?’
‘Dat jaar waarin ik niets ben opgeschoten qua snelheid?’
‘Precies. Dat jaar.’
‘Interval dus?’
‘Interval!’

‘Daar gaan we. Zevenhonderd meter inlopen. Wat is inlopen? Is dit inlopen?’
‘Nee! Rustig. Dit is duurlooptempo.’
‘Wat is inlopen dan?’
‘Ja, wel dat, maar dan nét niet. Iets rustiger.’
‘Wat maakt dat nou voor verschil?’
‘Vrijwel geen, maar laten we er een nette intervaltraining van maken. Nog tweehonderd meter. Dan gaan we zestienhonderd meter volle bak. Vier minuten de kilometer. Voelt bijna als sprinten. Is het net niet.’
‘Tot de twee-komma-drie kilometer dus. Ik had dit op mijn hand moeten schrijven of zo.’
‘Nee, gaat prima. Dat is tot het grote bord langs de sloot bij die kas.’
‘Ah ja, da’s waar. Ho, zevenhonderd meter. Knallen nu.’
‘Heerlijk! Tempootje dit hoor!’
‘Ik ga stuk. Zijn we er al?’
‘Nee, nog geen kilometer gehad. Doortrekken nu. Even niet op je horloge kijken.’
‘Ik haat de ik-van-toen!’
‘Paar meter nog. Dan gaan we achthonderd meter rustig draven.’
‘Draven?’
‘Ja, draven. Of dribbelen. Of langzaam hardlopen. Weet ik veel hoe het heet. Het ligt in ieder geval ver onder volle bak gaan en ook nog onder je normale tempo.’
‘Draven dan. Gaat ie. Ah, dit is lekker. Ik krijg weer lucht. Gaan we dat nog een keer doen?’
‘Jup. Nog drie keer. Anders heeft het allemaal zo weinig zin.’
‘Die ik-van-toen zat zeker lekker op de bank toen hij dit bedacht?’
‘Oké. Gaan we weer. Zestienhonderd meter vlammen!’
‘Tot voorbij de tunnel?’
‘Zoiets.’
‘Oké dan. Maar dan is het wel klaar hoor.’
‘Wilde je de bus terug nemen dan?’
‘Ik haat dit.’
‘Niet waar. Je hebt dit nodig. Je wilt jezelf toch verbeteren?’
‘Jawel… Maar dit brandt in mijn benen.’
‘Dan zal het wel effectief zijn, niet?’
‘Laten we het hopen.’
‘En daar zijn we alweer. Dribbelen nu.’
‘Draven.’
‘Draven. Tot het halverwege-punt. Daar keren we en knallen we weer een mijl richting huis.’
‘Dat draven is wel lekker. Beetje joggen is het. Ja, we noemen het joggen.’
‘Wat jij wilt.’
‘Ik wil het joggen noemen.’
‘Prima. Maar klaar met joggen nu. Sessie drie!’
‘Was dat het alweer? Het ging zo lekker.’
‘Jaja, tempo nu!’
‘Tot zeven-komma-één dus.’
‘Zie je. Kan prima uit het koppie. Houdt je ook nog eens scherp op de vroege ochtend.’
‘Zeven-komma-één. Dat is bij het bruggetje. Daarna nog maar één, hè?’
‘Daarna nog maar één.’
‘Gaat best wel lekker eigenlijk. Die ik-van-toen had misschien toch wel goeie ideeën.’
‘Hij had het beste met je voor.’
‘Kwestie van even inkomen, denk ik.’
‘Dat zal het zijn. Afremmen maar weer. We zijn er. Joggen tot de zeven-komma-negen.’
‘Lekker. Nog eentje.’
‘Tot het eind van het fietspad.’
‘Yes. Mag ik alweer?’
‘Rustig. Nog honderd meter. Geef alles zo. Daarna is het uitlopen tot thuis.’
‘Yes!’
‘En gaan! Knallen!’
‘Woohooo!!!’
‘Dit is tempo hoor!’
‘Dit is heerlijk!’
‘…’
‘…’
‘Eeeeeen remmen maar. We zijn er.’
‘Ah. Zonde. Intervallen is fantastisch!’
‘Zei ik toch? Volgende week weer?’
‘Volgende week weer!’

Medailles

Van ‘met startnummer ingelijst in de huiskamer’ tot ‘in een schoendoos ergens onder het bed’; de ideeën over wat te doen met medailles lopen nogal uiteen. Net als de ideeën over of zij die er één krijgen dat wel écht allemaal verdiend hebben. Vroeger kregen enkel de nummers 1, 2 en 3 een medaille en mocht de rest blij zijn met het startnummer als herinnering.

Ik zie de medaille na een hardloopwedstrijd niet als een prijs die je verdiend hebt. Een medaille is bij mij veel meer een tastbare herinnering. Ik vind het dus ook wel passend dat iedereen na de finish een medaille krijgt. De waarde die je er vervolgens aan hecht, bepaal je zelf. Heb je jezelf helemaal de tandjes getraind om van de bank naar je eerste 5 kilometer te komen? Dan is de medaille van je eerste 5 kilometer wedstrijd voor jou waarschijnlijk goud waard. Hij staat voor een overwinning op jezelf en is een tastbaar bewijs van het overtreffen van wat je eerder kon. Loop je met 2 vingers in je neus je zoveelste 5 kilometer, dan zal die medaille ongetwijfeld anders aanvoelen en heb je meer met dat flesje water één vrijwilliger verderop.

Mijn medailles hangen samen met al mijn startnummers op de overloop. Niet zichtbaar voor visite, maar ik loop er zelf zo’n 12 keer per dag langs. 14 keer wanneer mijn sokken ‘s morgens nog in de droger blijken te zitten. Gek genoeg zijn al die plakjes (en dan met name die van de grotere afstanden) mijn dierbaarste bezit. En ja, ik weet ook wel dat alle reguliere hardloopwedstrijden een finisherspercentage tussen de 98% en 99% hebben. Zo betekent meedoen dus bijna altijd finishen en betekent dat dus weer dat je je medaille gewoon koopt bij je inschrijving. Maar dat is dan maar zo: ik koop mijn eigen beloning. Prima ook wel. Ik heb er tenslotte zelf voor gekozen de wedstrijd te lopen, wist zelf allang dat ik niet nummer 1, 2 of 3 zou worden en wilde zelf toch al die maanden, weken, dagen, uren ervoor trainen. Dan kan ik zelf ook net zo goed, naast het welverdiende biertje en de welverdiende hamburger, zorgen voor de welverdiende plak voor aan mijn bord.

Ondanks de massaproductie van zo’n ding is een medaille voor mij heel persoonlijk. Anderen kunnen delen in mijn blijdschap, trots zijn op mijn prestatie en iets vinden van de medaille zelf, maar mijn precieze gevoel erbij delen ze niet. Kijk ik naar mijn medaille van Rotterdam 2014, dan loop ik weer met krampscheuten op die Bosdreef. Die simpele Royal Ten-medaille uit 2015? Ik ren weer een regenachtige 10 kilometer door een mooi stuk Haags bos. Parijs 2015? Een warme, krampvrije en bovenal prachtige marathon in een wereldstad. De Ironman? Maanden van trainen in de vroegte en uiteindelijk één lange dag vol afzien en emoties. Zo hebben ze stuk voor stuk een verhaal en is mijn medaillebord letterlijk een kapstok vol hardloopherinneringen geworden.

Gezien herinneringen niet in waarde afnemen, leken me dat prima investeringen voor de toekomst en was ik zeker van plan er nog vele bij te kopen. Hoe lelijk sommige ook zijn…

Voornemens

‘Wat. Een. Jaar.’ gooide ik pas op Instagram. Alles wat ik vooraf hoopte te doen, deed ik in 2017. En een beetje meer. Een Ironman, 2 marathons, een 60-kilometerloop, 3 halve marathons, een halve triathlon, een run-bike-run, sprint triathlons, een toertocht, wat open water zwemwedstrijden, honderden zwem-, fiets- en looptrainingskilometers en nieuwe pr’s op de 5, 21,1 en 42,2 kilometer…  Ik was eigenlijk van plan een top-lijstje uit te schrijven met wat meer woorden dan een Instagram-post toelaat. Maar wat kan ik er nog over kwijt behalve dat ik het vooral heel erg vet vond?

En daarbij, wat heb je aan lang terugkijken? Wie te lang terugkijkt, staat waarschijnlijk te lang stil. En stilstaan past niet bij mijn 2017. Ook niet bij mijn 2018.

Dus, van mij geen terugbliklijstje voor 2017, maar mijn voornemens voor 2018:

5.
Ik loop 3 crosswedstrijden in het voorjaar en pak over deze 3 een beker op de 5 kilometer. Dit jaar liep ik bij 1 van de 3 al een nette 2e plek, maar gezien ik enkel die ene wedstrijd liep, kreeg ik geen beker en moest ik het doen met een waardecheque voor een lokale kledingwinkel. Helemaal prima, maar in 2018 ga ik voor die beker. Welke van de 3 plekjes op het ereschavot ik inneem ,maakt me weinig uit, maar 1 van die bekers is van mij.

4.
Ik val weer een kilo of 5 af en hou het dan bereikte gewicht zeker tot de pepernotentijd vol. Van januari tot 19 augustus (de dag van de Ironman) dronk ik dit jaar geen druppel alcohol en at ik heel bewust. Na de Ironman waren de biertjes terug en na de laatste echt lange wedstrijden ging iedere rationele gedachte over voedsel weer in de ijskast. Tijd om de banden met de weegschaal weer wat aan te trekken en wat meer bescheiden te reageren op traktaties op kantoor.

3.
Ik doe zéker geen hele triathlon in 2018. Hoogstwaarschijnlijk ook geen halve. Wel vind ik fietsen en zwemmen erg leuk als afwisseling voor het lopen. Als ik dan toch bezig ben met die 2 bonussporten kan ik net zo goed een paar sprintjes en wellicht 1 of 2 kwart triathlons meepakken. Vooral midden in de zomer, wanneer de loopwedstrijden wat dunner gezaaid zijn, houdt een korte triathlon me sportief op peil voor het najaar.

2.
Ik loop 12 marathons. Het precieze waarom van dit idee is me ook nog niet helemaal duidelijk, maar vooruit… Het plan staat nu eenmaal. Vooralsnog zijn de eerste 5 vastgelegd (Apeldoorn, Zaltbommel, Utrecht, Rotterdam en Sneek) en ligt mijn hele najaar nog open. Het idee is er hoe dan ook 12 te lopen voor het jaar voorbij is. Het liefst loop ik er 1 of 2 in het buitenland, maar dan moet het geldboompje in de achtertuin nog even ontkiemen.

Maar bovenal:

1.
Ik luister naar mijn lichaam, mijn gezin en mijn gezonde verstand en doe wat goed voelt en waar ik blij van word.

2017 was fantastisch en als het aan mij ligt, wordt 2018 minstens zo fantastisch en misschien nog wel een beetje fantastischerderder!