Tegeltjeswijsheden

‘Waarom wil je twaalf marathons in een jaar lopen?’
‘Waarom niet?’
‘Nee, waarom wél?’
‘Vooral omdat het me heel erg leuk lijkt eigenlijk.’
‘Dat is niet twaalf marathons lopen en een beetje biertjes drinken en naar feestjes gaan ook.’
‘Ja, dat heb ik ook weleens een jaartje gedaan. Ik denk dat dit leuker is. Ik blijf er wel een biertje op zijn tijd bij drinken. Gewoon achteraf en zo. En ik vind hardlopen al een feestje op zich.’
‘Een feestje met spierpijn als beloning.’
‘En een ervaring. En een medaille. Nog altijd beter dan een kater.’
‘Draaf je niet een beetje ver door?’
‘Dat is wel de bedoeling met hardlopen, ja. Zeker bij een marathon.’
‘…’
‘Nu kan ik dit. Of tenminste… Ik heb dit nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.’
‘Is die niet van Pippi Langkous?’
‘Ja. Tegeltjeswijsheid hoor.’
‘Geen speld tussen te krijgen.’
‘Nee, die Pippi is een slimme dame.’
‘Maar hé, wat was er mis geweest met zes marathons? Of twee?’
‘Helemaal niets. Ik vond twaalf wel vet klinken. Ongeveer iedere maand één. Ik loop er twee in februari; kon geen leuke vinden in januari. En weet je, als je doelen je niet beangstigen, zijn ze niet groot genoeg.’
‘Nog zo’n tegeltje… Pippi?’
‘Niet dat ik weet, maar ook hier is geen speld tussen te krijgen.’
‘Waarom nú? Dit jaar een Ironman, zestig kilometer, twee marathons en weet ik veel wat nog meer.’
‘Zo niet nu, wanneer dan?’
‘Oké, nog één tegeltje en ik sla je ermee. Je weet wat er gebeurt wanneer het finishen van die twaalfde is ingedaald, hè?’
‘Ja. Misschien…’
‘Het Grote Gat waar je ieder jaar weer in valt. En dan? Het jaar erop iedere week een marathon? Eentje op de Noordpool? De Marathon des Sables? Een poging tot Badwater of Barkley?’
‘Geen idee. Dat is dan en dit is nu. Misschien is het Grote Gat netjes gevuld tegen de tijd dat het zo ver is.’
‘Het kan te veel worden. Je weet wat ze zeggen over alles waar ‘te’ voor staat.’
‘En als ik hier nou te-vreden mee ben?’
‘Ha.’
‘Want dat ben ik wanneer ik loop.’
‘Zou het gezond zijn? Zoveel marathons.’
‘Ik weet vrijwel zeker van niet.’
‘Maar…?’
‘Maar dat is een beetje biertjes drinken en naar feestjes gaan ook niet echt.’
‘Wat nou als je gewoon echt stuk gaat. Dat je gewoon echt dingen beschadigt.’
‘Dat kan ook als ik morgen de stoeprand verkeerd inschat.’
‘Dit is wel even iets extremer dan gewoon de stoeprand.’
‘Je hebt helemaal gelijk.’
‘Over?’
‘Alles. Het is niet rationeel uit te leggen waarom ik twaalf marathons in een jaar wil lopen. Het is niet nodig er twaalf te doen. Het is waarschijnlijk ongezond en nee, het hoeft niet per se nu… Maar mag ik nog één tegeltje doen? De laatste.’
‘Laatste dan.’
‘Liever spijt van iets wat ik heb gedaan, dan van iets wat ik heb gelaten.’
‘Goed tegeltje.’
‘Geen speld tussen te krijgen…’
‘Geen speld tussen te krijgen.’

Egmond

‘Zeven uur wekkertje?’
‘Ja.’
‘Pfff… Het is op een zondag, toch?’
‘Hij is op een zondag, ja.’
‘Douchen, ontbijten, broodjes smeren voor daar, spulletjes pakken, bananen en ponchos niet vergeten. Half negen de deur uit.’
‘So far, so good.’
‘Zeven haltes met de metro naar Rotterdam Centraal?’
‘Yes.’
‘Daar een trein naar Amsterdam.’
‘Doet er een kleine drie kwartier over.’
‘In Amsterdam om tien uur overstappen op de trein naar Heiloo.’
‘Jup. Ook weer drie kwartier.’
‘Aangekomen in Heiloo pakken we de pendelbus naar Egmond aan Zee.’
‘Vast niet de eerste de beste, maar ze rijden sowieso af en aan. Plus daar begint het, hè? Daar begint ie een beetje te leven. Daar voel je dat loopsfeertje.’
‘Pendelbus in. Ongetwijfeld proppen. Stukje kachelen naar Egmond. Pendelbus uit. Achter de meute aan naar de kleedtent.’
‘Kleine tien minuten lopen.’
‘Daar koffie, omkleden, beetje zenuwachtig hupsen en wachten tot vlak voor de start gezien het wel weer koud en guur zal zijn.’
‘Januari. Logisch. En vandaar de ponchos.’
‘Ja, oké, maar toch. Zo lang mogelijk wachten. Kwartiertje van tevoren lopen naar de start.’
‘Joggen.’
‘Joggen naar de start.’
‘Dan, en let wel: het is nu vijfeneenhalf uur nadat de wekker ging, onze start.’
‘Jaja, maar met de auto kom je er niet echt lekker in de buurt en het heeft ook wel wat om met het ov te gaan.’
‘Ik kan leukere dingen verzinnen dan mijn halve zondagochtend in het openbaar vervoer spenderen. Maar hoe dan ook, half één starten we.’
‘Yes! Knallen!’
‘We knallen het strand op.’
‘Na een kilometertje dorp. Is leuk. Staat meestal veel publiek. Zelfs bij minder weer. Die mensen daar snappen het.’
‘Goed. Na een kilometertje dorp het strand op.’’
‘Mul zand naar de vloedlijn. Voorzichtige stappen dus om de enkels te sparen. Daarna hoogstwaarschijnlijk wind tegen in een rechte lijn zeven kilometer over het strand tot aan Castricum. Zeven prachtige kilometers.’
‘En bij Castricum weer via het mulle zand de duinen in.’
‘Eerst een paar kilometer smalle, onverharde op en neer-paden en vervolgens beter begaanbare, bredere en meer vlakke paden.’
‘Tegen die tijd doet het waarschijnlijk al redelijk pijn.’
‘Waarschijnlijk. Maar daar staat dan wel weer veel publiek.’
‘En dan de Bloedweg.’
‘Ja! De Bloedweg! Op anderhalve kilometer voor de finish.’
‘Met een stijging waar je op dat punt echt niet meer op zit te wachten.’
‘Ach, kom op. Je bent er dan bijna. Knallen!’
‘Sure. Knallen.’
‘Stukje doorploeteren tot voorbij de vuurtoren en dan zit ie er weer op.’
‘Medaille ophalen. Terughobbelen naar de kleedtent. Omkleden. Biertje. Burgertje. Nog een biertje.’
‘Pendelbus. Trein. Nog een trein. Metro. Net voor het avondeten thuis. Met donker weg. Met donker thuis. En dat allemaal voor een halve marathon.’
‘Dat is Egmond…’
‘Dat is Egmond.’
‘Zin in?’
‘Zeker! Jij?’
‘Wat dacht jij dan? Het is Egmond!’

Hardloopdip

De hardloopdip van 2017 (ook wel Dip’17); ik zit er middenin. Ieder jaar komt de Dip weer terug en ieder jaar verrast hij me toch weer een beetje. Het was tenslotte een prachtig jaar met 2 marathons, een Ironman, een 60 kilometer op het strand, een halve triathlon, een paar sprint triathlons, een handjevol halve mara… Hmmm. Wacht eens even. Misschien is het ook wel gewoon even klaar voor dit jaar. De koek gewoon op. Het tankje leeg. Misschien is het dus best wel oké om niet 4 keer per week te trainen (ik kom momenteel met moeite aan 2 keer per week…) en de teugels wat te laten vieren (zéker al 5 kilo aan speciaalbiertjes aangekomen sinds de zomer).

Het mag ook best na al het trainings- en wedstrijdgeweld sinds januari. Ik heb weken gehad die naast het gezinsleven en fulltime werken bestonden uit 10 trainingen. Bizar als ik er nu – nog niet eens zo heel veel later – op terugkijk. Dagen waarop de wekker om half 5 een 60 kilometer fietstraining en een klein stukje hardlopen aankondigde met na de werkdag als toetje 2,5 kilometer zwemmen om er vervolgens weer netjes voor tienen in te kruipen. Weken met alleen maar slapen, eten, werken, trainen. Allemaal om toe te werken naar mijn doel van dit jaar: 3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en een marathon lopen zonder ergens tussendoor dood neer te vallen. Allemaal helemaal goed gekomen tijdens de Ironman op 19 augustus in het Zweedse Kalmar, in een tijd die ik prima genoeg vind om heel wat jaartjes onuitgedaagd als pr te staan.

Of je nou voor een Ironman traint of voor een 10 kilometer of gewoon alleen hardloopt om het hardlopen, een dip moet kunnen. Is soms zelfs essentieel voor de balans. Mijn eerste Dip – Dip‘14 – kwam na mijn tweede marathon. Bijna een maand deed ik helemaal niets na Amsterdam. Ik was er even helemaal klaar mee. En daarna ook in één klap weer helemaal niet. Vol goede moed begon ik na een maand van niet-hardlopen aan mijn schema voor de marathon van Parijs. En dat bleek precies te zijn wat ik nodig had: een net trainingsschema op een keukenkastje zodat ik er dagelijks naar kijk.

Mis ik straks in 2018 in een tijd met strakke schema’s eens een training, dan baal ik daar flink van. Dan ben ik kwaad op mezelf dat ik het schema niet strak genoeg naleef en moet ik de training inhalen. Nu even niet. Deze maand van minder vaak en minder ver balanceert in één klap mijn jaar netjes uit. Handje kruidnoten hier, oliebolletje daar: helemaal prima! Tweede stukje taart erbij? Graag! Het moet allemaal een beetje leuk blijven en door nu even heel veel minder te doen, is straks weer heel veel meer doen extra leuk. Lang leve Dip’17! Nou ja, niet té lang…

High five!

Ik zie ze al op 50 meter afstand. Hij staat met zijn ene voet in het gras van de rechterberm en met zijn andere op de straatklinkers, net voor wat vermoedelijk zijn oudere zus is. Zij heeft een kartonnen bord vast waarop, tussen grote sterren van aluminiumfolie, in kleurige letters ‘Hup papa!’ staat geschreven. Vanmorgen snel, maar wel met de grootste precisie, samen met mama in elkaar geknutseld.

Tussen mij en deze kinderen loopt nog een handjevol deelnemers. De voorste loopt de kinderen aan de linkerkant van het pad voorbij en is te druk met haar horloge om de uitgestrekte high five-hand te zien. Het jongetje laat zijn arm zakken en kijkt zijn zus beteuterd aan. Ze knikt naar de volgende. Samen strekken ze de armen en spreiden de vingers. ‘Hup, Gerrit!’ roept het meisje. ‘Hup, Gerrit!’ kopieert haar broertje. De drager van het Gerrit-startnummer kijkt hun kant op terwijl hij langs schiet. Hij steekt zijn duim op en lacht. Ze doen het ermee en roepen hem na. ‘Ja, Gerrit! Kom op! Je bent er bijna!’

Nog 3 man tussen mij en het jongetje en zijn zus. Een jaartje of 4 zal hij zijn. Net als mijn jongste. Zijn zus, een stuk ouder, houdt één hand stevig op zijn schouder zodat hij de straat niet op schiet in zijn enthousiasme. Papa is nog niet voorbij gekomen. Daar kijken ze nog te reikhalzend voor langs de stoet van lopers. De lopers die ze nu passeren, lopen strak langs de rechterberm. Stuk voor stuk negeren ze de opnieuw uitgestoken handen. ‘Nou ja! Ze staan daar ook voor jullie, hoor!’ denk ik kwaad. ‘Misschien vooral voor papa, maar zeker ook voor jullie!’

Dan komt het nu op mij aan. Ik verplaats mijn bidon van mijn rechter- naar mijn linkerhand. Strek de vingers. Probeer oogcontact te maken. Ja! Hij ziet het. Hij strekt zijn arm net wat verder uit en tikt zijn zus aan. Zij kopieert hem direct. Dit wordt een combo-high five! ‘Kom op, Thierry!’ Tik. Eén. ‘Je kunt het!’. Tik. Twee. Yes! Combo-high five! Klein beetje kippenvel. Gejuich achter me. Heerlijk.

Een stuk verderop hoor ik ze weer. Maximum volume dit keer. ‘Ja, papa!’, ‘Hup, papa!’, ‘Je bent er bijna, papa!’ ‘Kom op, papa!’ De achterste van de 3 lopers voor mij kijkt om naar het gejuich. Ja, beste man, denk ik, terwijl ik hem voorbij snel. Die energieboost had ook voor jou kunnen zijn…

Persoonlijk Record

Een telefoongesprek met de lokale krant:

‘Dus ik loop voor het eerst onder de 20 minuten op de 5 kilometer en het staat niet in de krant?’
‘Nee, we waren vooralsnog niet echt van plan hier een stukje aan te wijden.’
‘Maar ik liep onder de 20 minuten. Om precies te zijn liep ik 19 minuten en 13 seconden.’
‘Jaja, vlotjes hoor. Denk ik. Ik loop zelf niet hard, maar ik lees hier in de vluchtigheid op Wikipedia dat het wereldrecord op 12 minuten en 37 seconden staat. U liep onder de 20 minuten zei u?’
‘Ja, hallo. Die zit erop. Vast een Keniaan.’
‘Een Ethiopiër. U zat in de buurt. Nou ja, geografisch gezien dan, niet in de buurt van zijn tijd.’
‘Maar hiervoor had ik nog nooit onder de 20 minuten gelopen. Een dik PR dus.’
‘Won u de wedstrijd?’
‘Nee.’
‘Stond u op het podium?’
‘Nee, ook niet. Maar…’
‘Hoe breed had het ereschavot moeten zijn zodat u er wel op had gestaan?’
‘Ik was tiende.’
‘Van de hoeveel?’
‘Kleine 300 deelnemers. Ziet u? Dat is behoorlijk in de top.’
‘Behoorlijk, ja. Zeker. Gewonnen in uw leeftijdsklasse?’
‘Pardon?’
‘Uw leeftijdsklasse. Sommige wedstrijden werken met leeftijdsklassen. U bent hoe oud?’
‘36.’
‘Nou, dan kan het zomaar zijn dat u van bijvoorbeeld iedereen van boven de 35 jaar oud wel bij de top-3 zat. Zat u dat?’
‘Nee, ik geloof het niet. Maar ze hadden ook geen leeftijdsklassen.’
‘Aha. Kreeg u een medaille?’
‘Iedereen kreeg een medaille.’
‘Een mooie?’
‘Hij kan er mee door.’
‘En die tijd, hè. Bent u daar zelf blij mee?’
‘U bedoelt of het niet nog wat sneller kon? Vast wel. In het middenstuk heb ik wat seconden laten liggen, denk ik. Zat ook een viaduct in waardoor je toch net wat meer van de kuitspieren vraagt.’
‘Nee, ik bedoelde echt of u er zélf blij mee bent.’
‘Ah zo. Ja, natuurlijk. Anders bel ik u toch niet? Onder de 20 minuten. Dat is meer dan 15 kilometer per uur.’
‘Jaja, rap hoor. Maar als u er zelf blij mee bent, dan is dat toch genoeg? Dan hoeft er toch niet meteen een stukje in de krant omdat u toevallig nog nooit zo snel hebt gelopen?’
‘Nou, ik vond het anders nogal wat.’
‘Natuurlijk vond u het wat. U liep nooit eerder zo snel. Misschien waren er nog wel veel meer mensen die nog nooit zo snel hadden gelopen als tijdens die wedstrijd. Die hoeven toch ook niet allemaal in de krant.’
‘…’
‘Is dat ook niet waar de P in PR voor staat? ‘Persoonlijk’.’
‘Dat is waar de P voor staat, ja.’
‘Nou dan, wat doet het er dan toe wat de rest deed of wat u ten opzichte van die rest deed? U overtrof uw eerdere zelf. U zette een prestatie neer waar door u ‘u’ tegen gezegd mag worden.’
‘Goed punt. Geen stukje in de krant dus?’
‘Weet u? Als u zo nodig de aandacht op uw persoonlijk record wilt vestigen, waarom schrijft u er dan niet een blog over?’
‘Dat gaat me dan ook weer wat ver.’
‘Omdat het dan een tikkeltje narcistisch lijkt, wellicht?’
‘Zo zou ik het niet direct willen zeggen.’
‘Maar een beetje wel, hè? Anders doet u toch gewoon alsof u een verslag doet van een telefoongesprek met de redactie van een lokale krant?’
‘Maar ik voer nu toch een telefoongesprek met de redactie van een krantje?’
‘Natuurlijk doet u dat.’
‘…’
‘Weet u. We knallen hem gewoon over de hele voorpagina volgende week!’
‘Kijk! Dat zou erg fijn zijn.’
‘Het is dan ook een topprestatie. Mag u trots op zijn!’
‘Zo is het. En niet anders!’
‘Een prestatie van wereldformaat!’
‘Dat is misschien wat veel van…’
‘Een ontzagwekkende prestatie! Een niet eerder vertoonde prestatie die waarlijk het menselijk besef ontstijgt!’
‘Oké. Zo is het genoeg.’
‘Ja, is het genoeg zo?’
‘Genoeg.’
‘Fijntjes. Een goede dag.’
‘…’

De lopersgroet

Als je hardloopt ken je hem: de lopersgroet. Ik ben er groot fan van en zie iedere wederzijdse lopersgroet weer als een klein succesje. Het maakt mij ook niet uit of je van voor komt of van achter, man of vrouw bent, hard of zacht loopt, of je muziek op hebt of dat je met je loopmaatje aan het babbelen bent; ik ga je groeten. Sowieso. Ik heb alleen geen vaste groet. Die komt meestal een beetje op tijdens het moment:

Ik loop te lopen. Ik spot een andere loper op 150 meter. Groen shirt. Rotterdam Marathon 2015. Zelf niet gelopen, maar goed shirt. Ik draag mijn Roparun-shirt. Ook een goed shirt, maar niet van de Rotterdam Marathon. Hoe gaat die andere loper nou weten dat we die band hebben? Doet er niet toe. Misschien is hij ook wel Roparunner. Doet er ook niet toe. 100 meter. Tempootje hoor. We lopen elkaar tegemoet, dus ik kan niet helemaal goed inschatten wat zijn tempo is, maar het ziet er vlot uit. 70 meter. Ziet mijn tempo er voor hem een beetje oké uit? Ik doe er voor de zekerheid een schepje bovenop. 50 meter. Wel even groeten zo. We oefenen tenslotte dezelfde hobby uit. 40 meter. Waarom eigenlijk groeten? We lopen allebei al te lopen. Daar hebben we geen erkenning bij nodig. 30 meter. Jawel, is leuk. Lopersgroet! Oké, groeten. Knikje doen? Nee, dat is te subtiel. En met zonnebril komt dat al helemaal niet over. 20 meter. Vingertjes dan? Ja, kan. Misschien een ‘heuj’ erbij. Of een ‘hi’. Kijk maar. Doe maar wat. 10 meter. Maar doe iets. 5 meter. Vingertjes. Check! ‘Middag!’ Check! Hij knikt! Top! Wij snappen elkaar. En door!

De lopersgroet is exclusief voor trainende lopers onderling. Hij is niet bestemd voor wandelaars (tenzij dit uitlopende of intervallende hardlopers zijn), fietsers of automobilisten. Beetje gek natuurlijk, want het zijn gebruikers van dezelfde weg, maar zo zijn de regels. Het zal hem zitten in de erkenning van elkanders soortgelijke afzien. Een soort van zeer kortstondig sportief verbondje. Een ‘ik snap jou en jij snapt mij’.

Ik loop verder te lopen. Een man met fluoriserend hesje fietst mij tegemoet. Zal wel naar zijn werk gaan. Hij passeert en roept enthousiast ‘mogguh!’. Ik een reflex kopieer ik zijn ‘mogguh!’. Wat was dit? Hij lopersgroette mij. En ik hem. Moet niet gekker worden. Die ongeschreven regels zijn er tenslotte niet voor niets. Nog even en ik ga wielrenners een fijne dag wensen! Kom op zeg…

En door!

De top van kunnen voorbij

Meteen ergens heel goed in zijn of met vallen en opstaan steeds een klein beetje beter worden? Een lastige keuze, maar in het geval van hardlopen, ga ik al sinds mijn eerste marathon in 2014 voor het laatste.

Een jaar lang stond de datum rood omcirkeld op de kalender: 13 april 2014. De dag dat ik mijn eerste marathon zou gaan lopen. Slechts een klein jaar nadat ik voor het eerst de hardloopschoenen aantrok. Zou ik wel even doen. Mijn eindtijd wist ik ook al: 3 uur en 14 minuten. Moest ik een snelheid van 4 minuten en 36 seconden per kilometer voor lopen. En dat kon ik, getuige een snelle Zevenheuvelen, Egmond en CPC. Het liep die dag in Rotterdam allemaal net wat anders.

Op zondag 13 april 2014 stond ik met mijn opgegeven eindtijd van sub-3:15 in het vak achter de wedstrijdlopers. Terwijl de laatste klanken van Lee Towers’ “You’ll never walk alone” over de Coolsingel schalden, was ik er nog steeds van overtuigd dat ik daar in dat snelle vak op de juiste plek stond. Het kanonsschot klonk en ik stoof weg. Een kilometer lange beginsprint, waarbij ik links en rechts lopers inhaalde, luidde mijn eerste marathon in. Het ging fantastisch. Ik liep terloops een PR op de halve marathon en waande mij vervolgens nog een kleine 10 kilometer in topvorm. Tot die 32e kilometer op de befaamde Bosdreef rond het Kralingse Bos.

Na 32 kilometer was de tank namelijk plots he-le-maal leeg. Ik liep tegen een muur van honger, dorst, onvermogen en ongeloof op. Ik wandelde zelfs een stuk. Wandelde! Tijdens het hardlopen! Ik pakte water, sportdrank, bananen, sinaasappels en snoepjes aan van vrijwilligers en publiek. En ik baalde. Het wilde er bij mij niet in dat ik na een jaar hardlopen dit niet gewoon even kon. Het werden 10 slopende kilometers waarbij ik uiteindelijk 5 keer moest wandelen en waarbij ik tot 2 keer toe in de hekken heb gehangen met kramp.

Ik finishte in een tijd van 3 uur en 36 minuten. Een prima tijd voor een recreant, dat weet ik inmiddels ook wel, maar die dag totaal niet wat ik voor ogen had. En toch was het voor mij de meest leerzame loopervaring die ik toen had kunnen hebben. Nog nooit was ik mijzelf zo tegengekomen. Nog nooit had ik mijzelf zo vervloekt. En nog nooit wilde ik zo graag beter kunnen dan dat. Deze kilometers maakten mij tot op de dag van vandaag nederig naar de marathon toe. Nederig naar een afstand die voor mij voorbij de top van mijn toenmalig kunnen bleek te zitten.

Naar die 3 uur en 14 minuten ben ik nog steeds op jacht. Ik denk niet dat ik hem ‘zomaar wel eventjes een keer’ aantik. Wat ik wel weet, is dat ik bereid ben er keihard voor te werken. En laat het nou het resultaat van dat werken zijn dat het meest vervult met trots wanneer ik de top van een eerder kunnen doorbreek.

Had ik meteen de 3 uur en 14 minuten gelopen in 2014, dan was de kans groot geweest dat ik nu niet meer had hardgelopen. Ik ben er inmiddels achter dat ik een sportief langetermijndoel nodig heb en die 3 uur en 14 minuten is in dat opzicht onbereikbaar genoeg om nog heel lang een waardig langetermijndoel te zijn.

Ergens hoop ik dat ik hem nooit bereik…